Column door Fred van Assendelft - 023Magazine/Columns - Sommige anderstalige studenten van mij zijn het Nederlands al aardig machtig. Dan vragen ze mij soms naar de betekenis van een woord in een bepaald zinsverband. Woorden als TOCH, MAAR en DUS zijn voorbeelden van woorden die nogal eens problemen geven bij mensen die het Nederlands niet als moedertaal hebben.
Kijk maar eens mee naar de vele mogelijkheden van het woordje MAAR.
Om te beginnen is het natuurlijk een voegwoord. Het voegt twee hoofdzinnen aaneen, waarbij het een tegenstelling aangeeft: Jantje is klein maar hij is dapper. Johan heeft een fiets maar hij rijdt geen auto.
Als bijwoord geeft MAAR een beperking aan, in de betekenis van ‘slechts’ of ‘niet meer dan’: Hij heeft maar één broer. Het kost maar tien euro.
Bij een gebiedende wijs (imperatief) kan MAAR een verzachting geven. Kom maar vogeltjes, wees maar niet bang. Vergelijk bijvoorbeeld: Kom binnen ! (directe opdracht); Kom maar
binnen ! (verzachtend); Kom toch binnen ! (aansporend) en Kom nu binnen ! (dwingend)
Wat dacht u van MAAR als tegenwerping in een tweespraak; MAAR aan het begin van de zin kondigt dan aan dat er een bezwaar, beperking of correctie komt:
“Hij kan goed voetballen.” — “Maar hij is vaak geblesseerd.”
“We kunnen morgen gaan.” — “Maar morgen moet ik werken !”
Je hebt ook MAAR als uitroep, dan drukt het bijvoorbeeld verbazing, ergernis, bewondering of nadruk uit: Maar wat is dat mooi ! Maar jongen toch ! Maar natuurlijk ! Maar wat zeg je nu ?
De precieze betekenis wordt sterk bepaald door intonatie: Maar wat is hij groot geworden ! (verbazing) Maar natuurlijk ! (nadrukkelijke bevestiging)
En dan heb je nog de combinaties met MAAR: Ja, maar; maar dan; en om iets toe te voegen: Niet alleen … maar ook … Een paar voorbeelden:
Ja, maar maandag kan ik helemaal niet. (je zegt JA, terwijl je NEE bedoelt)
Je mag meegaan, maar dan moet je wel op tijd zijn. (geeft een beperking aan)
Hij is niet alleen aardig, maar ook intelligent. (verbindt twee zaken die allebei gelden)
Er zijn nog meer combinaties mogelijk, allemaal met hun eigen nuance.
Zij bleef alsmaar praten. (voortdurend) Ze kwam zomaar binnen. (zonder duidelijke aanleiding of waarschuwing) Ik wil alleen maar helpen. (uitsluitend) Hij doet maar wat. (zonder plan of zonder veel nadenken)
Is het dan vreemd dat anderstaligen met die nuances, waarbij de precieze betekenis sterk wordt bepaald door intonatie, het moeilijk vinden om zich onze mooie taal eigen te maken. Het is allemaal te leren, maar, uh …









